Diagnose

Het woord Diagnose komt uit het Grieks: dia-gignooskoo en betekent 'het nauwkeurig leren kennen'.

In ons vakgebeid (psychiatrische hulpverlening en begeleiding) houdt dat in, dat door een diagnose een ziekte wordt geïdentificeerd vanuit optredende symptomen. De term diagnose is tegenwoordig vaak synoniem met de naam van de ziekte of aandoening waaraan iemand verondersteld wordt te lijden.

Het woord diagnose werd vooral vroeger meer dan tegenwoordig gebruikt voor het proces waarmee men tot deze conclusie komt. Diagnosen worden in het dagelijks leven door iedereen gesteld ('Zal wel een griepje zijn') maar in een meer formele context is diagnostiek voorbehouden aan mensen die zich beroepsmatig met gezondheidszorg bezighouden, vooral artsen. Het is niet waar dat het stellen van een diagnose door anderen verboden is, zoals nog wel eens wordt beweerd.

De diagnose geeft een hypothese, een oordeel van de arts weer en het kan met het verloop van de tijd nodig zijn dit oordeel te herzien.

Het stellen van een diagnose

 Hoewel het in veel medische leerboeken voorgesteld wordt of de arts eerst 'onbevooroordeeld' alle informatie verzamelt en dan pas gaat nadenken en hypothesen opstellen, is dit in werkelijkheid niet het geval. Al vanaf de eerste woorden van de patiënt, vaak al door de manier waarop iemand loopt, kijkt of praat, begint de arts hypothesen te vormen. 

Voordat de arts een diagnose stelt moet hij alle relevante informatie verzamelen. Het probleem is dat hij van tevoren niet kan weten wat relevante informatie is. Informatie wordt pas relevant in het licht van een hypothese. Tot relevante informatie kan behoren:

  • De symptomen van de ziekte. 
  • De medische voorgeschiedenis van de patiënt.
  • Relevante omstandigheden uit het leven van de patiënt.
  • Beeldvormend onderzoek, bijvoorbeeld een hersenscan.
  • De reactie van de patiënt op bepaalde (proef-)behandeling of medicijnen.


Zie ook:

 
 
 
menu